Selecteer een pagina

 

Vaak reageer ik de laatste tijd heel opgewekt en optimistisch, bijna juichend, als mensen aan me vragen hoe het met mijn vader is. En gelukkig ook met reden; hij is weliswaar behoorlijk dement en verward, maar hij herkent ons nog, en hij is het grootste deel van de tijd tevreden en vrolijk. Vorige week liet ik nog aan iedereen die het wilde trots de foto’s zien van het bezoek dat zijn kleinkinderen met zijn vieren aan hem brachten. Prachtig, zo’n blije opa, met zijn kleindochter hand in hand aan de wandel, en met zijn allen genietend van een ordinair broodje kroket.Een behoorlijk ideaal plaatje, en wat een verschil met die eerste, paniekerige tijd toen net duidelijk werd dat hij aan het dementeren was.

Prettig verward

Hij is, na een periode van grote onrust en angst, nu al een jaar behoorlijk stabiel, en, raar om te zeggen: prettig verward. Het verpleeghuis waar hij woont ervaart hij de ene dag als de schaakclub, op de andere dag als een jongerensoos, of een boerderij. Hij bedankt de “bediening”, en roemt de architectuur van “deze universiteit”.Tegen mijn broer en mij ( we bezoeken hem om de dag) houdt hij onsamenhangende, maar erudiet klinkende verhalen, waar we braaf en geduldig naar luisteren.Als hij in alle helderheid zou zien in welke situatie hij nu is beland zou hij misschien niet verder willen, maar gelukkig is hij sinds “de grote verwarring” ook niet meer depressief of angstig. Hij heeft een paar terugkerende favoriete thema’s, zoals schaatsen, de oorlog (“we worden hier gevangen gehouden door de Duitsers, maar wel door aardige Duitsers”) en zijn jeugd in Rotterdam.

Gesloten deuren

Vrijwel altijd is hij blij om ons te zien en gaat hij willig mee naar het restaurant beneden om te genieten van een bakje vla of een gevulde koek. Maar soms, heel soms, treffen we hem aan in een heel andere bui. En uitgerekend vorige week, net nadat ik weer eens had opgeschept over hoe tevreden hij meestal is, trof ik hem in zeer slechte doen. De verpleging zei al bij mijn binnenkomst dat ze me net wilden bellen, omdat hij al de hele dag stond te turen tussen de gleuf van de gesloten klapdeuren. Op geen manier konden ze hem daar weg krijgen, iedereen die het probeerde kreeg een sneer. Ook ik, toen ik hem vroeg wat hij aan het doen was. “Wachten, op Ineke” (mijn moeder- al bijna vijf jaar geleden overleden), antwoordde hij boos. “Ik moet haar van de bus halen, en ik sta al de hele dag te wachten, maar ze komt maar niet”. “Ga, je even met me mee Pap, dan gaan we even zitten”, probeerde ik. Maar hij wil er niets van weten. “En haar dan net missen, ik pieker er niet over”.

Tranen

Meestal zweer ik bij het meegaan in zijn wereld, want hoe meer je hem in de realiteit wil houden, hoe verwarrender het voor hem is. Maar nu weet ik geen andere manier dan hem te zeggen: “ ik moet je iets heel verdrietigs vertellen pap, Mama is overleden”. “Wat?” reageert hij vol ongeloof en met een kwade blik. “Ja, al vijf jaar geleden” zeg ik met de tranen in mijn ogen. Niet om haar dood, maar om de wanhoop en paniek waarin hij verkeert. Maar juist die tranen maken hem rustig. “Ik zie dat je het meent, dat het je raakt, dus ik moet je wel geloven.” (hij is en blijft een therapeut) “Wat een opluchting! Dat betekent dat ze niet meer hoeft te lijden.” Opeens is hij als was in mijn handen, en kan ik hem meenemen om ergens te gaan zitten. Hij kalmeert en ik kan rustig met hem praten. Hij blijft maar herhalen hoe opgelucht hij is dat ze niet meer lijdt. “Maar, waarom hebben jullie dat dan al die jaren voor mij verzwegen, nou ja, dat doet er ook niet toe”. Dit laat ik maar even, gelukkig als ik ben dat zijn onrust weg is. Met de schrik in mijn lijf fiets ik later weer naar huis, terwijl ik me realiseer: juich niet te vroeg! Maar tegelijkertijd ben ik ook blij dat ik hem toch weer kon bereiken en kalmeren, dat maakt het verschil.