Selecteer een pagina

Hoewel hij bijna altijd redelijk opgewekt is, zijn er ook wel eens dagen dat mijn vader niet lekker in zijn vel zit. Dan is hij onrustig, is hij vaaglijk op zoek naar allerlei papieren (een treinabonnement, een parkeervergunning), en scharrelt hij druk rond in zijn kamer. Op zoek is hij. Maar naar wat? Dat is voor hem waarschijnlijk ook de vraag. Hoewel ik me in het begin door dit soort buien ook van slag liet brengen, heb ik inmiddels wel een manier gevonden om hem weer een beetje rustig en vrolijk te krijgen. In plaats van hem omstandig proberen uit te leggen dat hij geen auto meer heeft, niet meer in zijn eigen huis woont, en dus ook geen parkeervergunning meer heeft, heb ik inmiddels een paar “trucs” om hem weer wat te kalmeren.

Zo werkt het altijd heel goed als ik het gesprek breng op zijn conditie. Vroeger (nog geen anderhalf jaar geleden) was dat namelijk zijn grote trots, hij was het toonbeeld van een goed geconserveerde en fitte bejaarde. En hoewel hij sinds zijn herseninfarct zich niet meer zo heel soepel meer beweegt, loopt hij als een van de weinige bewoners zonder rollator. En dat hoort hij graag. Hij vindt het heerlijk als ik hem vlei met zijn fitheid, en hij begint te glimmen als ik zeg dat de dokter hem ook zo wonderbaarlijk jong vindt voor zijn leeftijd. Dat laatste heb ik uit mijn duim gezogen, maar ik voel me inmiddels helemaal niet meer schuldig over dit soort leugentjes om bestwil.

Het werkt namelijk als een wondermiddel. “Oh ja, heeft hij dat gezegd? Nou, het is ook wel waar.” En als ik dan doorga, en zeg dat de dokter hem in een topconditie vindt voor iemand van 86, gebeurt er altijd hetzelfde: hij kijkt me verbijsterd aan en zegt: “86?” Hij heeft geen idee dat hij al zo oud is. “Ja, pa, je bent 86, maar zo zie je er niet uit, en zo voel je je ook niet, toch?” Hij antwoordt dan bijna altijd: “Nee, ik voel me nog een jonge kerel”. Vergeten is dan vaak de zoektocht naar dingen die hij kwijt is, weg de onrust. Tevreden kletsen we dan over de aardige dokter, en maken we plannen voor een tweedaagse wandeltocht, of een ochtend schaatsen op de Jaap Edenbaan. Niet dat dat ook maar enigszins realistisch is. Maar ik gun onszelf de fantasie. En hij geniet van het idee, elke keer weer.